Een stuk van mijn kies koos het hazenpad. Hij brak af en belandde na een ingewikkeld kuchje in de palm van mijn rechterhand. In mijn linkerhand bevond zich een bakje pinda's van hardgebrande kwaliteit, dat om voor de hand liggende redenen niet in die hand hoorde. Maar ja, wie is zonder zonde, taalt niet naar diep gezouten zonden en aanbidt op ieder moment van de dag de heilige Sonja Bakker? Ik niet.
Eén van die zondige pinda's was van een wel uitzonderlijk prachtige hardheid en ontnam mijn kies van zijn functies. Ik wist eerst niet wat ik er mee aan moest. Gedachten aan het stijgen der jaren probeerde ik te vermijden. Het lukte echter niet me te concentreren op de vraag of ik wel voldoende had gepoetst. En mevrouw Hovius was wel lief en begrijpend, maar was dat nu een giecheltje toen ze zich van me afwendde? Ik meende iets onderdrukts te horen over de schrik en een glaasje.
De volgende ochtend belde ik voor een afspraak en kon pas vandaag terecht. Om kwart voor negen in de ochtend. Dat liet mij nog ruim twee uur na het douchen om me zorgen te maken over een opmerking van de assistente.
“Hij zal de randjes wat bijschaven, zodat u daar geen last van heeft.”
Ik zag de tanige mondmechanieker al voor me. Een indrukwekkende voorschoot en in zijn gespierde, zwetende handen een enorme roestige bijl, waarmee je normaal gesproken een boomstam manieren bij zou brengen.
“En dan maken we vervolgens een afspraak voor de herstelwerkzaamheden.”
Achter de smoelensmid verscheen een team bodybuilders aan mijn geestesoog. Veiligheidshelmen en een passend roodwit lint om belangstellenden op afstand te houden. Hoorde ik daar het ronken van een stoomwals? Bibberend van het doorleefde leed kroop ik op mijn fiets om vervolgens tien eenzame minuten in de doodstille wachtkamer door te brengen.
De vriendelijkste assistente uit de geschiedenis van de dentale zorg verscheen als uit het niets en lokte mij de spreekkamer in. De verleidster straalde een onbezorgdheid uit die misschien nog zou passen bij des tandarts aartsvijand Jamin, maar ze wist dat ik geen partij was voor haar. Ik zou haar desnoods gesmeekt hebben mij gevankelijk af te voeren, als ik maar van het monster in mijn mond zou worden verlost.
Bij de volautomatische stoel stond, handenwrijvend als altijd mijn ondermaatse heelmeester. De enige reden dat hij geen krukje nodig had om mijn machtige kaken te maltraiteren, was de aanschaf van de nog dieper afstelbare “Chairmaster 3015”. Minachting zou terecht zijn, maar was in mij niet aanwezig. Ik knarste een beleefdheid, wees de kies aan en probeerde niet flauw te vallen.
Hij maakte de koerende geluiden van moeders en buurvrouwen boven een maxi-cosi en spoot na een uitnodigend gebaar vergif in mijn kaak. De verbetenheid van zijn glimlach was voordien alleen gezien bij Jack the Ripper. Hoe kon ik mij verdedigen nu de verdovende middelen, slangen en tandartsvingers mij het spreken onmogelijk maakten? Ik was kansloos.
Met een vaderlijk gebaar werd ik in de wachtkamer geparkeerd, het gif moest tot maximale bloei worden gebracht. De leden van een angstig gezin begroette mij met afwijzende blikken. Hen werd geen tijd gegund de diepte van mijn ellende op zich in te laten werken. Lamgeslagen volgden ze de rattenvangster.
De hel is een wachtkamer met dunne wanden. Het gekrijs van de jongste gevangene ging me door merg en been. En mijn beurt moest nog komen.
De hernieuwde binnenkomst van Mata Hari, verraderlijkste vrouw in de wijde omgeving van deze oorlogszone, deed een siddering door mijn geplaagde hoofd en lichaam trekken. De slager bij zijn werkbank informeerde vriendelijk of ik ieder gevoel in de kaak kwijt was. Ik wilde antwoorden maar werd gehinderd door een dikke stoplap in mijn mond, een leguaanachtige die ongenodigd mijn verhemelte betaste. Een druppel kwijl viel uit het niets op mijn overhemd. Ik raakte volledig in de war en de operatie onttrok zich aan mijn waarneming. Na afloop probeerde ik te vragen wanneer de vervolgoperatie zou plaatsvinden. Ik hoorde mijn krakende stem als door een vervormer.
"Bannee boet i wee kome”, blafte ik.
Niet begrijpend keek mijn alchemist naar zijn assistente, die mij stralend uitlegde dat de kies zijn oude vorm had hervonden en er weer jaren tegen kon. Ah ja, nu begreep de oude dwerg het ook, zo was het!
“Bak u weh”
Even zag ik een glimmertje opkomen in het linkeroog van deze gortdroge medicijnman. Meteen was het weer verdwenen. Dat korte moment van bijna-humor achtervolgde mij de rest van de dag, terwijl ik langzaam mijn orale gevoel hervond. Stel je voor dat ik, gemankeerd standup comedian met bijpassende gebrek aan gezelschapsmanieren, als tandarts dagelijks met dergelijke reutelende angsthazen zou worden geconfronteerd. Kaakkramp en uitdroging der traanbuizen zouden mijn lot zijn. En een afgetraind uiterlijk als gevolg van trillende lachkrampen door mijn buikspieren. Daarbij de dagelijkse aanvechting om liefdevol te troosten.
“Keef nie hoo, ga heh wee?”