Nog proef ik de eenzaamheid, die als een bruidssluier om haar schouders hing. We hadden gekust, een zinnenprikkelend stilzwijgen waarin haar neus licht mijn baardige wang beroerde, twee van haar vingers licht over mijn oor vlinderden. Ik was betoverd. De kus ten einde zoog ik zuurstof binnen als dreigde ik te stikken. Een wervelend duister in mijn ogen deed mijn evenwicht aarzelen. En zelfs toen ik mijn ogen opende, haar hand verkende, zag ik haar niet werkelijk staan. Ze had me vervuld, zo diep dat buiten mij niets leek te bestaan.
Maar haar blik was teneergeslagen. Ik vond haar vuur niet meer, zo kort na ons versmelten. Nam ze dan afscheid voor we werkelijk kennis maakten? Ik had haar mijn liefde niet kunnen verklaren, in beslag genomen door de magie van haar stem, de voorzichtige uitnodiging in haar ogen, haar bekentenis dat ze ook aan mij had gedacht in de dagen waarop ons kantoor de deuren sloot. Ze leek iets te willen zeggen toen onze lippen een zegel plaatsten dat haar nu het spreken onmogelijk maakte.
Wakker geschrokken pakte ik voorzichtig haar zachte schouders. De warmte van haar onverkende schoonheid gloeide op in mijn handpalmen. Ze rilde kort en keek me vluchtig aan. Ik keek haar aan maar raakte haar niet langer, in beslag genomen was ze.
Het afscheid bestond er simpelweg uit dat ze van me wegliep, niet omkeek. Er lag een geschrokken haast in haar snelle passen. De vogels vlogen met haar mee. Ik kon niet meer denken. Terwijl ik naar haar keek zag ik de zelfzucht van mijn eenzaamheid niet. Wie neemt me het kwalijk. Ik had de schoonste, de zachtste in mijn handen gehad. Zij had mijn onzekerheden in een enkel gebaar weggepoetst. Mijn hart ontspoorde op dat ene moment en was nog niet teruggekeerd.
We hebben elkaar niet meer gesproken, maar ik hoor haar stem na al die jaren nog. Telkens herhaalt ze dat ze best een kop koffie met me wil drinken tussen de middag. Nee, ze heeft geen vriend. Dat is al zo lang geleden, giechelt ze dan en zwijgt met een beschaamdheid die haar niet past.
Eerst meldde ze zich ziek. Als ik belde, kreeg ik een antwoordapparaat dat niet naar mij wilde luisteren. Toen nam ze ontslag. Haar collega, een jeugdvriendin, vertelde op de afdeling dat er verdriet was, al jaren. Er was een man geweest. En met die man was een onuitsprekelijke pijn gekomen. De vriendin keek me niet aan terwijl ze dit vertelde, alsof ze iets van me wist. Ik heb het haar niet gevraagd en heb de liefde van mijn leven niet meer gebeld. Hoe zou ik dat kunnen. De gedachte dat mijn aanraking haar demonen had losgelaten, overweldigt me dag na dag.