“Dames en heren!”, gloedvol probeerde de annonceur zijn warmste stem uit. Na twee dagen zwijgen achter een lamswollen sjaal en stromen thee met honing, droop zijn stem als vanouds naar buiten. Een laatste randje rauwigheid zou zo meteen zijn verdwenen, het zwijgen kent nu eenmaal een uitslaapperiode.
Zijn ogen zochten de gesoigneerde wenkbrauwen in de spiegel. Ze namen een licht gebogen houding aan.
“Dames en heren! De internationale...”
Een lichte huivering maakte zich van hem meester. Hij beheerste nog steeds de Franse intonatie, die “natio” smeuïg doet overlopen in “nale”. Even gloeide het warme licht van het leslokaal op in zijn ogen. Weer voelde hij een lichte streling in zijn nek, de beloning van de ravissante lerares voor zijn perfecte dictie.
Op weg naar de uitvoering besefte hij dat het bijzonder zou worden. De bewegingen van zijn benen, zijn handen brachten de atmosfeer in een nieuw ritme, het verlichtte zijn gemoed. Met iedere stap nam zijn veerkracht toe. Vandaag zou het groots zijn.
Zorgvuldig bracht hij zijn ideale spreekpositie tot stand. Voor hem verscheen de eerste tekst in beeld. Nog even de hand op de kuch-knop en daar stroomden zijn woorden al over de lippen, randen van een rijkgevuld spreekorgaan.
“Dames en heren! De internationale trein van zeven uur achtenveertig naar Dordrecht, Rotterdam, Den Haag, Schiphol en Amsterdam Centraal Station, vertrekt vandaag vanaf spoor 1A. Mes dames et Messieurs! Le train international ...”
Zijn borst resoneerde met de iets zwaardere intonatie die hij graag aan de Franse vertaling meegaf. Het Duits en het Engels deed hij meestal op lichtere toon. Het Engels uiteraard in verband met de onderliggende volksaard, het Duits vanuit een licht afgrijzen.
De grauwheid van het spreekhokje deerde hem niet. Het grote raam liet de roze en oranje tinten van de ochtendzon ruimhartig toe, het sleetse interieur verwarmend tot een levend organisme. De bovenverdieping van het oude stationsgebouw in Roosendaal kende verder geen inwoners. De kantoren bevonden zich inmiddels allemaal op de begane grond. Zijn eenzame positie garandeerde een ongestoorde uitzending van zijn berichten. En tussendoor had hij een majestueuze uitkijk over spoorstaven en wachtende reizigers.
De ochtend verried niets van de geanticipeerde glorie. Onder hem ontrolde zich een langdurige spits met mudvolle treinen, gevuld met tweebenige agenda's die op tien minuten lopen van het station van bestemming hun eerste alarm schril lieten gillen. Stilstaan in afwachting van de trein leek voor deze wezens een obstakel dat slechts pratend in een mobiele telefoon, scrollend door een blackberry, spelend met de waslijsten in een i-pod kon worden doorgebracht. Of somber starend naar de einder, het verdwijnpunt dat maar niet leek te willen veranderen in een aanstormende trein.
Vijf jaar geleden had hij zijn bureau met de microfoon en de computer zo verschoven, dat hij ook tijdens het uitspreken van de dienstmededelingen zicht had op zijn publiek. Hij wilde zelf kunnen zien hoe zijn werk werd ontvangen. Een gouden keuze was het geweest. Zijn eerste 'Dames en Heren” vanuit deze positie had hem de adem benomen. Meteen vlogen oordopjes uit hun warme schelpen, werden telefoons weggehouden. Niemand wilde missen wat deze bekende stem hen kon melden. De ongericht geconcentreerde blikken leken gepijnigd. De kwaliteit van de omroepinstallatie deed inderdaad geen recht aan zijn stemgeluid. Teveel hoge tonen, geen warmte.
Hij was blij de tijdige aankomst van een mooie lange trein te kunnen aankondigen en de gerustgestelde reacties te zien op het perron schuin onder hem.
Op zijn scherm verscheen een vooraankondiging. Een trein was ten noorden van Lage Zwaluwe vastgelopen en versperde de doorgang, nadere berichten zouden volgen. Hij schraapte zijn keel zodra de eerste vertraging duidelijk was. Geen treinen naar het noorden of het zuiden voorlopig. Ogenblikkelijk ontstond een rimpeling in de menigte. Reizigers lieten schouders zakken, grepen naar telefoons, bestudeerden horloges.
Op het computerscherm voor hem volgden de berichten elkaar steeds sneller op, kennelijk was de paniek nu ook toegeslagen in het zenuwcentrum op de verdieping onder hem. Mededelingen werden gedaan en ingetrokken. De reizigers sprongen op in unisono zodra de speaker had gesproken, sleepten tassen en koffers van de ene zijde van het perron naar de andere, om minuten later weer terug te keren. Soms moest zelfs de overstap gemaakt naar een ondergronds bereikbaar perron. Een groteske tango van verwachting en teleurstelling. Als zwaaide hij met een dirigeerstokje, zo regisseerde hij de bewegingen van het volgestroomde station. De rillingen die de telkens massalere reactie bij hem teweeg brachten, dreigden hem teveel te worden. Er moest een breekpunt komen!
“De sneltrein vanuit Vlissingen en Goes zal binnen enkele minuten arriveren op spoor 3A.” Even hield hij zijn adem in, onder hem steeg de spanning zichtbaar. Reizigers hielden hun hoofden schuin omhoog, als stokstaartjes die de naderende dreiging probeerden te plaatsen. “Deze trein zal vandaag, Niet verder rijden. Nadere berichten volgen.”
Wanhopige handen werden opgegooid.
De omroeper leefde mee met zijn publiek. Hun ochtend zou niet glorieus zijn. Niet zo als de zijne, die zijn dramatische hoogtepunt nu had bereikt. De choreografie begon zijn glans te verliezen. Steeds meer reizigers bleven achter, niet langer bereid te rennen of te torsen zolang er geen treinen vertrokken in de door hen gewenste richting. Hij onderschatte hun ontreddering niet. Ze rekenden op een ijzeren regelmaat van spoorstaven, aankondiging en vertrek. Afspraken waren gemaakt op basis van dit patroon. Bazen, opdrachtgevers, geliefden wachtten tevergeefs. Niets erger dan te falen ondanks eigen inspanning.
De frustratie groeide met iedere trein die nieuwe schipbreukelingen aan land zette. Individuen gingen op in golfbewegingen, groepjes kregen een eigen ritme terwijl ze zich getergd bewogen door het stilstaande water van hen die meer afwachtend bleven. Ze zochten een reddingsboei en legden aan rond rode petjes van spoorwegmedewerkers, golfbrekers die in alle windrichtingen informatie verspreidden.
Hij had dit nooit begrepen, er was een berichtgever die door allen werd gehoord! Waarom dan ook nog die ongeleide uniformdragers het veld insturen? Om individuele vragen te beantwoorden, had men hem gezegd. Een misvatting! Een trein kende geen individuen, maar hooguit lotgenoten die als druppels water deel wilden uitmaken van de juiste stroom.
“Op spoor 1A is zojuist een extra trein aangekomen. Deze trein zal zo spoedig mogelijk vertrekken in de richting van Dordrecht en Rotterdam.” De volksverhuizing die nu ontstond kende zijn weerga niet. De radelozen van de perrons 3 en 4 stortten zich eensgezind in het trapgat, lemmingen op weg naar hun finale bestemming. De wedergeboorte op de trap naar perron 1 kende een dichtheid die van de groep een beest, een python maakte. Met open mond zag de omroeper hoe het beest poten kreeg die de deuropeningen vulden. Een seconde later was het perron weer helemaal leeg. Een kleurige folder werd nog even voortgezogen in de staartwind van het beest. De deuren bleven open maar niemand waagde zich buiten de wagons.
Een nieuw bericht verscheen op zijn beeld. “Dames en heren, de zojuist aangekondigde extra trein in de richting van Dordrecht en Rotterdam zal vandaag niet vertrekken. De versperring van het treinverkeer is nog niet opgeheven. Onze excuses hiervoor.”
Moest hij dit echt voorlezen? Weer een maalstroom veroorzaken? De rode petjes betraden aarzelend het perron waaraan de overvolle trein gereed stond voor vertrek. Ze spraken in portofoons en keken af en toe hoofdschuddend in zijn richting.
Op zijn scherm werd de lijst van berichten steeds langer, hij herkende de geautomatiseerde mededelingen die volgens dienstregeling aan hem werden gepresenteerd. Even aarzelde hij of hij de trein weer leeg zou laten stromen, toen leunde hij achterover. De componist had zijn solist in de steek gelaten. Wat kon hij anders, dan wachten tot de partituur was hersteld.